Mr Willem van der Putten

Mr Willem van der Putten Spelregels
Over Mr Willem van der Putten
Facultatieve
Sponsors

Vervanging verordening


27 april 2009

Vraag nummer: 6464  (oude nummer: 12874)

Geachte heer Van der Putten,
Met ingang van 21 jan.1937 is in de gemeente Westbroek/Achttienhoven een nieuwe verordening op de heffing begrafenisrechten in werking getreden.Daarbij verviel de verordening van maart 1921.
In de verordening van 1937 wordt in art.13 bepaald dat alle reeds bestaande eigen graven worden geacht te zijn aangevangen 1 jan.1937. Dit om de betalingen in art.7 te "legaliseren". Het zakelijk recht wat op het graf rust op het moment van het aangaan van het recht moet in beginsel zo blijven. Deze overeenkomst uit 1937 is dus eenzijdig gewijzigd en verwerpelijk lees ik uit Uw uitvoerige antwoorden.
Als U de verordeningen niet in Uw bezit heeft kan ik ze U toezenden. Mijn vraag luidt, is er een rechtsgrond om vestigingsdata van bestaande graven te wijzigen in de opvolgende verordening?
Met dank en vriendelijke groet.

Antwoord:

Geachte heer of mevrouw,

U bedoelt waarschijnlijk de Verordening op de heffing van begrafenisrechten in de gemeenten Westbroek en Achttienhoven van augustus 1920, die bij Koninklijk Besluit van maart 1921 is goedgekeurd, alsmede de verordening van oktober 1936 die in december 1936 is goedgekeurd en in 1937 in werking trad. Ja, die verordeningen heb ik in mijn archief.

In artikel 13 van de verordening van 1936 wordt niet bepaald dat alle reeds bestaande eigen graven worden geacht te zijn aangevangen 1 januari 1937. Maar dat de termijn waarop bestaande grafrechten moesten worden erkend is opgeschoven, ten gunste van de rechthebbenden.

Het ligt een beetje complex. De graven in deze gemeenten werden in het verleden uitgegeven voor onbepaalde tijd, maar de rechthebbenden van die graven moesten hun recht wel periodiek laten erkennen, anders zou het vervallen. Er zijn tegenwoordig trouwens nog steeds begraafplaatsen die dergelijke regelingen kennen.
In artikel 4 van de verordening van 1920 was bepaald dat men telkens na verloop van 20 jaren na de laatste begraving het recht moest laten verlengen, wat 50,- gulden kostte.
Ik geef even een voorbeeld met fictieve data, voor een goed begrip. Stel een graf was uitgegeven in 1900, maar in 1915 werd er voor het eerst in begraven. Als er niet binnen 20 jaar, dus uiterlijk in 1935 een volgende begraving plaats vond, moest in 1935 het recht worden erkend. Dat zou vervolgens weer moeten in 1955, 1975 etc. (ik laat even buiten beschouwing dat de verordening mogelijk in de tussentijd wijzigt). Maar als er in 1934 een tweede begraving plaats vond en in 1950 een derde (stel dat het een 3-persoons graf was), dan hoefde pas in 1970, 1990 etc. een erkenning plaats te vinden.

Het is in de verordening van 1936 niet zo geregeld dat alle bestaande graven geacht werden op 1 januari 1937 te zijn aangevangen; als u artikel 13 nauwkeurig leest ziet u dat alleen de 20 jaren-termijn geacht werd per 1 januari 1937 aan te vangen.
Dat is echter geen verslechtering van de positie van rechthebbenden, maar een verbetering. Als in een graf voor onbepaalde tijd voor het laatst in 1918 begraven was, zou het recht weer erkend moeten worden in 1938 tegen betaling van 50,- gulden, volgens de verordening van 1920. Maar door de verordening van 1936 schoof deze verplichting op naar 1 januari 1957. En het tarief werd ook nog eens verlaagd naar 30,- gulden. De gemeenten speelden dus een beetje voor Sinterklaas, in 1936.

Het is niet zo dat gemeenten geen nieuwe verordeningen vast mogen stellen. Dat mag altijd. Ook mogen ze altijd tarieven verhogen en verlagen. Wat niet rechtsgeldig is, is dat men eventueel in nieuwe verordeningen de uitsluitende grafrechten op essentiele punten beperkt. Men mag bijvoorbeeld de rechten op een bestaand graf voor 3 personen niet bij verordening beperken tot een graf voor 2 personen. Men kan wel bijvoorbeeld andere voorwaarden aan de grafbedekking stellen. Stel dat vroeger monumenten 100 cm hoog mochten zijn en in een nieuwe verordening wordt maximaal 90 cm voorgeschreven. Zolang het huidige monument dan intact is mag 100 cm worden aangehouden; bestaande monumenten hoeven niet te worden veranderd. Maar als men een nieuwe steen op dat oude graf wil plaatsen is men wel gebonden aan de nieuwe maat van 90 cm en heeft men geen oud recht op 100 cm. De hoogte van een monument is geen essentieel onderdeel van het grafrecht.

Terzijde nog een juridisch punt: het is niet zo dat een verordening die bestaande rechten wel zou beperken, per definitie niet rechtsgeldig is. De verordening is wel geldig, maar zij kan op onderdelen door de rechter nietig worden verklaard. Maar dat is nu niet aan de orde, bij uw vraag. De verordening was geldig en er was geen strijd met het recht van rechthebbenden.

Overigens zijn overgangmaatregelen van grafrechten zoals ze in de verordening van 1936 staan niet vreemd. Bijvoorbeeld in de Wet op de lijkbezorging staat in artikel 84:
"Het recht op een eigen graf, verleend vóór het in werking treden van deze wet, wordt geacht een uitsluitend recht op een graf in de zin van artikel 28 te zijn." Artikel 7 van de Verordening op de heffing van begrafenisrechten in de gemeenten Westbroek en Achttienhoven van 1936 is een vergelijkbaar soort overgangsbepaling. Daar is niets ongebruikelijks aan. En omdat de rechthebbenden ook nog eens allemaal voordeel hebben bij de nieuwe, geharmoniseerde, termijn en de lagere kosten, lijkt mij daar geen enkel bezwaar tegen.

Met vriendelijke groet,

mr W.G.H.M. van der Putten

Stel een vraag:

Op dit moment is het stellen van nieuwe vragen tijdelijk niet mogelijk.

Om bezoekers zo snel mogelijk naar de juiste plek te helpen hebben we een eenmalige vraag:

Heeft u op dit moment een uitvaartondernemer nodig?

JA NEE