A&B Verklaring


7 augustus 2002

Vraag nummer: 882  (oude nummer: 1207)

Een arts is verplicht bij een natuurlijke dood, zowel de B verklaring als de A verklaring af te geven. Mijn vraag is door wie de B verklaring moet worden afgegeven, is dit door de dienstdoende arts of is dit door de huisarts van de overledene? Of moet de dienstdoende arts ze beiden afgeven?

Antwoord:

Geachte heer of mevrouw,

De manier waarop u uw vraag stelt doet mij vermoeden dat u met deze materie werkt, of als ambtenaar van de burgerlijke stand, of als arts, of als uitvaartverzorger. Omdat u de vraag op zondagmiddag stelt bent u waarschijnlijk geen ambtenaar, gezien de manier waarop u 'm formuleert bent u waarschijnlijk geen arts. Ik gok erop met iemand uit de uitvaartverzorging van doen te hebben.

Om de vraag (en het antwoord) ook voor niet-ingewijden begrijpelijk te maken even een korte uitleg.
Als iemand overleden is, moet het lichaam worden geschouwd door een arts. Een arts geeft een verklaring van overlijden af, aan de hand waarvan - meestal door feitelijke tussenkomst van een uitvaartverzorger - de ambtenaar van de burgerlijke stand een verlof tot begraving of tot verbranding kan afgeven. Zonder zo'n verlof mag niemand worden begraven of gecremeerd.
Als het gaat om een natuurlijke dood, mag de verklaring van overlijden worden afgegeven door een 'gewone' arts. Dat kan zijn de ziekenhuisarts waar iemand bij in behandeling was, de eigen huisarts, of een waarnemer.

Als iemand geen natuurlijke dood is gestorven, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeval, moet het lichaam door een gemeentelijke lijkschouwer worden onderzocht. Een gewone arts mag dan geen verklaring van overlijden afgeven.

Tegelijk met de afgifte van de 'echte' verklaring van overlijden moet de arts ook een opgave doen van de doodsoorzaak en van de onmiddellijk daarmee samenhangende gegevens ten behoeve van de statistiek. Deze laatste opgave wordt in een gesloten enveloppe aan de ambtenaar van de burgerlijke stand gezonden. Aan de enveloppe is een strook bevestigd, waar de gegevens van de overledene op staan. De ambtenaar van de burgerlijke stand stuurt de enveloppe ongeopend door aan de geneeskundige hoofdinspectie van de volksgezondheid dan wel aan de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Zo weten we met z'n allen in Nederland hoeveel mensen dood gaan en waaraan.
De 'echte' verklaring van overlijden wordt in de praktijk ook wel het 'doodsbriefje A' genoemd; de opgave ten behoeve van de statistiek het 'doodsbriefje B'.

Na deze achtergrond terug naar uw vraag.
Wie moet de opgave voor de statistiek (B) doen? De dienstdoende arts of de huisarts van de overledene? Of moet de dienstdoende arts ze (A en B) beide afgeven?

Het antwoord is eenvoudig. Beide doodsbriefjes - de verklaring van overlijden èn de opgave voor de statistiek - moeten door dezelfde arts worden afgegeven. De Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid geeft als richtlijn aan dat beide verklaringen, A en B, dienen te worden afgegeven door de arts die de patiënt tijdens het leven als laatste op enigerlei wijze onder zijn medische zorg heeft gehad. Dat geldt ook voor de waarnemend huisarts, die uitsluitend de terminale fase heeft meegemaakt. Dat een waarnemer zich slechts oppervlakkig in het ziektebeeld zal kunnen hebben verdiept, doet hier niets aan af. Hij kan - of misschien zelfs moet - voor een nauwkeurige invulling van het B-formulier bij de huisarts informatie inwinnen, maar ook dat doet er niets aan af dat hij het formulier moet invullen.

Voor een nadere toelichting verwijs ik naar het bulletin "Informatie voor artsen met betrekking tot de Wet op de lijkbezorging 1991" van de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid. Dit bulletin is verkrijgbaar bij de inspectie en het ministerie van Volksgezondheid (tel. 070-3405785). Het is ook opgenomen in deel E-4 van de losbladige bundel Wet op de lijkbezorging (later: Thematisch Handboek Lijkbezorging) van uitgeverij Vermande. Welke arts wat moet doen en waarom is voorts uitvoerig beschreven en toegelicht op blz. 36-38 van het Handboek Wet op de lijkbezorging.

Als iemand geen natuurlijke dood is gestorven, ligt de zaak anders. Het 'doodsbriefje B' ten behoeve van de statistiek moet dan worden opgemaakt door een door de officier van justitie aan te wijzen arts.

mr W.G.H.M. van der Putten

3 mei 1998

Stel een vraag:

Naam *:  
E-mailadres *:
De titel van uw vraag *:
Uw vraag *:
* Wel verplicht, maar wordt niet gepubliceerd in de website (alleen uw vraag en antwoord).   Verzenden >